(1957) Doceert gerechtelijke geneeskunde aan de Universiteit van het Baskenland, is voorzitter van de prestigieuze Wetenschapvereniging Aranzadi en onderdirecteur van het Baskische Instituut voor Criminologie. Vandaag heeft deze Spaanse wetsdokter de meeste graven opgegraven en lichamen geïdentificeerd van burgers die brutaal vermoord werden tijdens de Spaanse burgeroorlog en de dictatuur van Franco. Dat maakt hem een waardevol lid van het expertencomité voor het onderzoek naar de misdrijven tegen de menselijkheid die werden begaan door de franquisten onder leiding van de rechter Garzón tussen 1936 en 1975.
Francisco Etxeberría

Emilio Silva

(1966) Studeerde sociologie en journalistiek aan de Complutense Universiteit in Madrid waar hij momenteel woont. In 2000 vindt Emilio Silva de exacte locatie van de grafkuil waar in 1937 zijn grootvader en twaalf andere personen vermoord werden door franquisten. Met de hulp van archeologen, een wetsdokter en vrijwilligers, graaft hij de resten op van “De dertien van Priaranza”. Enkele maanden later sticht hij de Asociación para la Recuperación de la Memoria Histórica (ARMH), een vereniging die ijvert voor het herstel van het historisch geheugen. Het is de eerste organisatie die de familie van vermisten helpt bij het zoeken van hun naasten die door de franquisten vermoord en in massagraven gegooid werden. De Spaanse pers pikt deze verhalen snel op; dat wordt het begin van de opstand tegen de vergetelheid. In 2002 richt de organisatie gesticht door Emilio Silva zich tot de VN opdat Spanje de verdwijningen van burgers tijdens de burgeroorlog en de dictatuur van Franco zou onderzoeken. Vandaag is de ARMH in de Spaanse maatschappij één van de belangrijkste spelers in het herstelproces van de herinnering aan de slachtoffers van het franquisme.
Jorge Semprun

(1923) Ging tijdens de burgeroorlog met zijn familie in ballingschap naar Frankrijk. In Parijs vervolgt hij zijn schooljaren en studeert hij filosofie aan de Sorbonne. In 1941 sluit hij zich aan bij de Franse verzetsbeweging. In 1943 wordt hij door de Gestapo aangehouden en naar het concentratiekamp Buchenwald gestuurd. Hij keert terug naar Parijs in 1945. In de jaren ’50 is hij verantwoordelijk voor het clandestiene verzet van de communistische partij tegen het regime van Franco. Dit doet hij onder verschillende pseudoniemen, onder andere de intussen mythische naam Federico Sánchez. In 1963 ontvangt hij de Formentor Prijs voor zijn eerste roman, Le grand voyage (vertaald als De grote reis), een autobiografie die zijn eigen ervaringen beschrijft tijdens de deportatie. Semprun schrijft voornamelijk in het Frans. In 1964 wordt hij uit de communistische partij gezet omdat hij afwijkt van de partijlijn. Hij wijdt zich vanaf dan hoofdzakelijk aan zijn werk als schrijver, filosoof en scenarist. Zijn interesse voor politiek en sociaal verzet inspireren tot politieke scenario's (voor Alain Resnais, Costa-Gavras...) die in de context van mei ’68 sneller hun weg vinden naar producenten en het publiek. In 1969 ontvangt hij de Fémina Prijs voor zijn roman La deuxième mort de Ramón Mercader (vertaald als De tweede dood van Ramón Mercader). Van 1988 tot 1991 is hij Spaans minister van Cultuur onder de regering van Felipe Gonzalez. Semprun krijgt de Friedenspreis des Deutschen Buchhandels, de Fémina Vacaresco Prijs en de Literaire Prijs voor de Rechten van de Mens voor L’écriture ou la vie (1994, vertaald als Schrijven of Leven). De stad Weimar kent hem in 1995 de Weimar Prijs toe (het is een stad met een aanzienlijke culturele bagage, de stad van Goethe en niet ver van Buchenwald...). Hij wordt ook verkozen tot lid van de Franse literaire associatie Académie Goncourt. Pas in 2003 schrijft hij voor het eerst na 25 jaar in zijn moedertaal, Spaans : Veinte años y un día (vertaald als Twintig jaar en een dag). Jorge Semprun is een van die markante figuren die een levend bewijs vormen van de Europese geschiedenis van de afgelopen eeuw ; hij heeft de geschiedenis zowel doorkruist als aangekruist.
Marcos Ana

(1920) Vecht als tiener mee aan de zijde van het republikeinse leger tijdens de burgeroorlog. Enkele weken na de inhuldiging van de dictatuur van Franco, in 1939, wordt Marcos Ana aangehouden en ter dood veroordeeld. Hij brengt 23 jaar door in de kerkers van het franquisme. Tijdens zijn gevangenisjaren schrijft Ana gedichten waarvan de wanhoop zijn naam en die van zijn lotgenoten de hele wereld rondstuurt en zo tot een ongekende internationale solidariteitscampagne inspireert. Hij was één van de eerste politieke gevangenen ter wereld waarvoor Amnesty International het opnam. Na zijn vrijlating in 1962 reist Marcos Ana de hele wereld af en wordt ontvangen in parlementen, universiteiten etc. om te getuigen over de onmenselijke situatie van politieke gevangenen onder de dictatuur van Franco. In Parijs zal hij het CISE (Centro de Información y Solidaridad con España) oprichten en besturen tot het einde van het Francoregime, met Pablo Picasso als voorzitter. In 2007 publiceert hij zijn autobiografie Decidme cómo es un árbol (vrije vertaling: Vertel me hoe een boom eruit ziet) die al snel een groot succes wordt. Enkele maanden na de publicatie koopt Pedro Almodóvar de filmrechten op. Het relaas van het leven van Marcos Ana zou dus het onderwerp kunnen worden van een van zijn volgende films. Marcos Ana is een levend symbool van de verzetsbeweging tegen Franco.
Natividad Rodrigo

(1936) Wordt enkele maanden voor het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog geboren in een familie van republikeinse boeren uit Villanueva de Odra in Burgos. Het leven van Natividad Rodrigo zal voor altijd getekend zijn door 2 september 1936, enkele maanden na de staatsgreep van Franco, wanneer haar vader en zwangere moeder koelbloedig vermoord worden door falangistische brigades nadat ze zijn aangegeven door de priester van het dorp. Rodrigo was toen amper negen maanden oud. Haar hele leven wordt een oprecht pleidooi voor het leven en de hoop. In 1960 ontvlucht ze de oppressie van het Francoregime dat de “verliezers” hardnekkig op de huid blijft zitten. Rodrigo verlaat Spanje en komt clandestien naar België. In Brussel integreert ze zich in de Belgische samenleving en zet ze zich niet-aflatend in voor de aanklacht tegen de dictatuur van Franco via het Garcia Lorca Collectief. In de zomer van 2007 graaft Natividad Rodrigo met de hulp van de ARMH de lichamen van haar ouders op. Ze had zich voorgenomen dit te doen voor het te laat was... Vandaag pendelt ze tussen haar geboorteland en haar exilium en schuimt ze vol overtuiging de Spaanse scholen af om haar verhaal en dat van hun land te delen met de generaties van morgen.
Marisa Paredes

(1946) Begon op de Spaanse theaterpodia en is al sinds haar debuut één van de trouwe actrices van Almodóvar, die haar memorabele rollen gaf in Entre tinieblas, Tacones lejanos, La flor de mi secreto en Todo sobre mi madre. Maar u kent haar misschien ook van La vita è bella van Benigni, Trois vies et une seule mort van Raoul Ruiz of van de eerste film van Philippe Lioret, Tombés du ciel, naast Jean Rochefort in 1993. Haar internationale carrière omvat onder andere samenwerkingen met Amos Gitaï (Israël), Arturo Ripstein et Guillermo del Toro (Mexico) en Manoel de Oliveira (Portugal). Paredes is een ‘grande dame’ van de cinema, een ster in Spanje en Latijns-Amerika, en was voorzitster van de Spaanse Filmacademie van 2000 tot 2003.











